Staffanfare van de NCB 1938-1966 Sint-Oedenrode Uniek muziekkorps te paard

€ 0,00

Bijna 90 jaar geleden werd in november 1938, in Nijnsel, het initiatief genomen voor een muziekkorps te paard, de Staffanfare.

Een staffanfare kan worden opgevat als een muziekkorps te paard, doorgaans bestaande uit blazers van instrumenten kopers en slagwerkers, waarbij de leden simultaan musiceren en hun paarden onder controle houden.

In de eerste wereldoorlog, Nederland was neutraal, was in Sint Oedenrode, het tweede Regiment Huzaren ingekwartierd. (Huzaren waren militairen te paard) van 1916 tot 19 19, waaronder. Sjang Sijbers en Jan Moonen, maar deze bleven na de mobilisatie in 1919 achter In Rooi en gingen er wonen. Sjang Sijbers en Jan Moonen  waren echte paarden mannen en werden actief In de paardenwereld van Nijnsel en Rooi en leerden Sjef de Leijer kennen. In 1937 /38 kwamen Sjang en Sjef op de idee om een muziekkorps op te richten, muzikanten die ook  paard konden rijden. Ze gingen aan de slag en formeerde een nieuw gezelschap, het nieuwe gezelschap bestond uit 16 leden afkomstig uit Nijnsel, ze waren ook lid van de fanfare. Van een vaste organisatie was nog geen sprake. In de winter van 1938 begonnen de eerste repetities in het Antoniushuis (D”n Bouw.) in Nijnsel. (https://x.com/i/grok?conversation=1905941307991748943)

Het paardrijden werd nagebootst op stoelen. Maar toen de tijd aanbrak om te paard te oefenen kom, begon de mobilisatie en daarna brak de 2e wereldoorlog uit Veel boeren moesten toen de paarden inleveren bij de Duitsers. Alleen de repetities  konden doorgaan, tot dat zelfs de koperinstrumenten werden gevorderd. Het koperwerk dook onder en zonder koperwerk geen fanfare. De bestuursleden van de BLRV  van de NCB hadden begin 1940 ook plannen voor een muziekkorps te paard. Ze hadden reeds van de Nijnsels activiteiten gehoord.

NCB (https://www.wikiwand.com/nl/articles/Noordbrabantse_Christelijke_Boerenbond)

 In 1941 kwam het tot de oprichting van de staf fanfare bij Sjef de Leijer thuis. De oorlog gooide roet in het eten. Direct na de oorlog in 1946 ging men verder met de Staffanfare en zoals elke ruitervereniging kwam de Staffanfare organisatorisch bij de NCB en kreeg als officiële naam  “Staffanfare van de Bond van Landelijke Rijverenigingen van de NCB gevestigd in Tilburg. De Staffanfare moest de trots worden van de NCB, elke gelegenheid werd aangegrepen om de kwaliteit en prestaties van de Staffanfare onder de aandacht te brengen.

De Staffanfare kwam organisatorisch bij de NCB en kreeg als officiële naam “Staffanfare van de Bond van Landelijke Rijverenigingen” gevestigd in Tilburg.

Het instrumentarium van het fanfarekorps werd door de NCB op peil gebracht door aankoop van nieuwe trommen en instrumenten. Ook de jaarlijkse verzekering en transportkosten werden door de NCB betaald.

De optredens werden een groot succes.

De première dat de Staffanfare zich in vol ornaat aan het publiek presenteerde was tijdens het landelijke ruiterconcours in Eerde in juni 1946. Het verslag van die dag op 28 juni van de krant was laaiend enthousiast. Met dit optreden had de staffanfare de toon gezet voor de komende jaren. Het muziekrepertoire was niet zo uitgebreid. Het was al een hele kunst muziek te maken op het paard. Dus er werden geen ingewikkelde muzieknummers ingestudeerd. In 1958 werd o.a. gespeeld, Tip-Top, Favoriete, Hollands Vreugd, Lang zal hij leven, Wilhelmus. Wanneer het Wilhelmus werd gespeeld werd kwamen de helpers de paarden vast houden.

De leden van de Staffanfare hadden nog geen eigen uniform in het begin, droegen ze het uniform van de ruitervereniging. Op 16 mei 1953 droegen ze hun nieuwe uniformen tijdens hun optreden in het stadion van Utrecht .De paarden van de Staffanfare waren hoofdzakelijk afkomstig van de Nijnselse en Rooise Ruiterclub, maar ook particuliere eigenaren stonden hun paarden af. Het waren allemaal inlandse warmbloedpaarden van Groningse- en of Gelders Type .Ze weren nauwkeurig gekozen, want als een paard door ziekte of kreupelheid zou uitvallen, was er niet zomaar een vervangend paard beschikbaar.

Voor het vervoer van de paarden had elke ruiterclub afspraken met vaste vervoerders die over veewagens beschikten. Om de vervoerskosten te drukken, reden de muzikanten met de veewagens mee, met vervoer van de paarden had meer voeten in aarde. De formaliteiten waren niet gering. Alles moest volgens wettelijke voorschriften geregeld worden.

Het ging goed met de Staffanfare, MAAR na een paar voorspoedige jaren begon de muziek wat vals te klinken, in dit uniek muziekkorps en het begon te rommelen. Er ontstonden ergernissen over de organisatie. Begin 1952 hadden de spilfiguren, Sjang en Sjef hun lidmaatschap opgezegd. Zij vonden dat de organisatie niet naar hun zin was. De directie van de NCB greep in.

Zij hadden besloten tot instelling van een plaatselijke “Raad voor de Staffanfare” Daarin moesten dan zitting hebben, dirigent Gerard van der Heijden, Sjef de Leijer, Sjang Sijbers, een bestuurslid van de Nijnselse fanfare en eventueel nog een ander persoon.

De directeur-secretaris, ir. Wellens, van de NCB kwam op 20 juni 1952 persoonlijk naar Rooi, om op de ledenvergadering van de Staffanfare zijn beslissing toe te lichten. Op die juni avond stonden alle neuzen weer dezelfde kant. Het hoofdbestuur van de Staffanfare bleef in Tilburg en werd bijgestaan door een plaatselijk bestuur. Daarmee konden Sjef de Leijer en Sjang Sijbers leven en zij keerden terug bij de club. Er ontstond op een gegeven moment een jammerlijke scheiding tussen de groep uit Nijnsel en de andere leden, door kleine ergernissen en roddels die uit liepen op ruzie .In 1957 kwam een definitief einde aan de inbreng van Nijnsel in de Staffanfare, die in Nijnsel ontstaan was. Sijbers en zoon Harrie gingen de eigen club in Nijnsel nieuw leven inblazen en werken mee aan de oprichting van de “Nijnselse Ruiters”.

Oud-leden zeggen het nog steeds heel jammer te vinden dat dit alles zo afgelopen is. “In feite ging het om niks” vinden zij, Anderzijds zeggen ze allemaal dat het een geweldige tijd is geweest. Na het rumoerig jaar 1957 nam de Staffanfare de draad weer op en de optredens kregen nog steeds veel waardering, maar het werd echter aanzienlijk minder druk met de aanvragen.

 Het volgende optreden was pas weer op 2 augustus 1959. Op 23 maart 1960 kwam het bestuur weer bijeen voor nieuwe plannen. Op 11 mei volgde een ledenvergadering en de leden kregen te horen, dat ter dekking van de onkosten minsten 4 tot 5 optredens per seizoen verzorgd moesten worden. Doordat verzorgers en begeleiders ook betaald moesten worden waren de kosten voor de optreden veel te hoog geworden. Niet voor 35 muzikanten moest betaald worden maar voor 55 tot 60 personen, inclusief de begeleiders en verzorgers. De voortekenen waren gunstig voor 1961, maar ze kwamen niet uit. Er was slechts een optreden en dat was tevens ook het laatste. In mei 1962 kregen de leden van de Staffanfare de opdracht hun uniformen en instrumenten op 6 juni ’s avonds om 20.00 uur in te leveren voor een inventarisatie bij het Damiaancollege.

Eind 1962 verwachtte het bestuur betere tijden maar die kwamen er niet. Het nadelig saldo 1961/1962 was fl. 575,52. In tegenstelling tot vorig jaar, waren er nu geen inkomsten. In 1963 wilde het Bondsbestuur de Staffanfare in een andere vorm en meer afgestemd op de tegenwoordige vraag. Maar ook dat lukte niet.  In 1963 besloot het bestuur de Staffanfare in zijn toen bestaande vorm op te heffen. Op 27 december 1965 vond in Sint-Oedenrode in café De Beurs de liquidatie vergadering plaats.

Het hele verhaal kunt u lezen in het boek “Staffanfare van de NCB”

Geschreven door Jan van der Aa en Piet van Alphen en uitgegeven door de Heemkundige Kring “De Oude Vrijheid” in 2009

Auteur(s)

Uitgever

Jaar

Jan van der Aa, Piet van Alphen

Heemkundige Kring "De Oude Vrijheid"

2009

 

 

Aantal:
Toevoegen aan winkelwagentje

Bijna 90 jaar geleden werd in november 1938, in Nijnsel, het initiatief genomen voor een muziekkorps te paard, de Staffanfare.

Een staffanfare kan worden opgevat als een muziekkorps te paard, doorgaans bestaande uit blazers van instrumenten kopers en slagwerkers, waarbij de leden simultaan musiceren en hun paarden onder controle houden.

In de eerste wereldoorlog, Nederland was neutraal, was in Sint Oedenrode, het tweede Regiment Huzaren ingekwartierd. (Huzaren waren militairen te paard) van 1916 tot 19 19, waaronder. Sjang Sijbers en Jan Moonen, maar deze bleven na de mobilisatie in 1919 achter In Rooi en gingen er wonen. Sjang Sijbers en Jan Moonen  waren echte paarden mannen en werden actief In de paardenwereld van Nijnsel en Rooi en leerden Sjef de Leijer kennen. In 1937 /38 kwamen Sjang en Sjef op de idee om een muziekkorps op te richten, muzikanten die ook  paard konden rijden. Ze gingen aan de slag en formeerde een nieuw gezelschap, het nieuwe gezelschap bestond uit 16 leden afkomstig uit Nijnsel, ze waren ook lid van de fanfare. Van een vaste organisatie was nog geen sprake. In de winter van 1938 begonnen de eerste repetities in het Antoniushuis (D”n Bouw.) in Nijnsel. (https://x.com/i/grok?conversation=1905941307991748943)

Het paardrijden werd nagebootst op stoelen. Maar toen de tijd aanbrak om te paard te oefenen kom, begon de mobilisatie en daarna brak de 2e wereldoorlog uit Veel boeren moesten toen de paarden inleveren bij de Duitsers. Alleen de repetities  konden doorgaan, tot dat zelfs de koperinstrumenten werden gevorderd. Het koperwerk dook onder en zonder koperwerk geen fanfare. De bestuursleden van de BLRV  van de NCB hadden begin 1940 ook plannen voor een muziekkorps te paard. Ze hadden reeds van de Nijnsels activiteiten gehoord.

NCB (https://www.wikiwand.com/nl/articles/Noordbrabantse_Christelijke_Boerenbond)

 In 1941 kwam het tot de oprichting van de staf fanfare bij Sjef de Leijer thuis. De oorlog gooide roet in het eten. Direct na de oorlog in 1946 ging men verder met de Staffanfare en zoals elke ruitervereniging kwam de Staffanfare organisatorisch bij de NCB en kreeg als officiële naam  “Staffanfare van de Bond van Landelijke Rijverenigingen van de NCB gevestigd in Tilburg. De Staffanfare moest de trots worden van de NCB, elke gelegenheid werd aangegrepen om de kwaliteit en prestaties van de Staffanfare onder de aandacht te brengen.

De Staffanfare kwam organisatorisch bij de NCB en kreeg als officiële naam “Staffanfare van de Bond van Landelijke Rijverenigingen” gevestigd in Tilburg.

Het instrumentarium van het fanfarekorps werd door de NCB op peil gebracht door aankoop van nieuwe trommen en instrumenten. Ook de jaarlijkse verzekering en transportkosten werden door de NCB betaald.

De optredens werden een groot succes.

De première dat de Staffanfare zich in vol ornaat aan het publiek presenteerde was tijdens het landelijke ruiterconcours in Eerde in juni 1946. Het verslag van die dag op 28 juni van de krant was laaiend enthousiast. Met dit optreden had de staffanfare de toon gezet voor de komende jaren. Het muziekrepertoire was niet zo uitgebreid. Het was al een hele kunst muziek te maken op het paard. Dus er werden geen ingewikkelde muzieknummers ingestudeerd. In 1958 werd o.a. gespeeld, Tip-Top, Favoriete, Hollands Vreugd, Lang zal hij leven, Wilhelmus. Wanneer het Wilhelmus werd gespeeld werd kwamen de helpers de paarden vast houden.

De leden van de Staffanfare hadden nog geen eigen uniform in het begin, droegen ze het uniform van de ruitervereniging. Op 16 mei 1953 droegen ze hun nieuwe uniformen tijdens hun optreden in het stadion van Utrecht .De paarden van de Staffanfare waren hoofdzakelijk afkomstig van de Nijnselse en Rooise Ruiterclub, maar ook particuliere eigenaren stonden hun paarden af. Het waren allemaal inlandse warmbloedpaarden van Groningse- en of Gelders Type .Ze weren nauwkeurig gekozen, want als een paard door ziekte of kreupelheid zou uitvallen, was er niet zomaar een vervangend paard beschikbaar.

Voor het vervoer van de paarden had elke ruiterclub afspraken met vaste vervoerders die over veewagens beschikten. Om de vervoerskosten te drukken, reden de muzikanten met de veewagens mee, met vervoer van de paarden had meer voeten in aarde. De formaliteiten waren niet gering. Alles moest volgens wettelijke voorschriften geregeld worden.

Het ging goed met de Staffanfare, MAAR na een paar voorspoedige jaren begon de muziek wat vals te klinken, in dit uniek muziekkorps en het begon te rommelen. Er ontstonden ergernissen over de organisatie. Begin 1952 hadden de spilfiguren, Sjang en Sjef hun lidmaatschap opgezegd. Zij vonden dat de organisatie niet naar hun zin was. De directie van de NCB greep in.

Zij hadden besloten tot instelling van een plaatselijke “Raad voor de Staffanfare” Daarin moesten dan zitting hebben, dirigent Gerard van der Heijden, Sjef de Leijer, Sjang Sijbers, een bestuurslid van de Nijnselse fanfare en eventueel nog een ander persoon.

De directeur-secretaris, ir. Wellens, van de NCB kwam op 20 juni 1952 persoonlijk naar Rooi, om op de ledenvergadering van de Staffanfare zijn beslissing toe te lichten. Op die juni avond stonden alle neuzen weer dezelfde kant. Het hoofdbestuur van de Staffanfare bleef in Tilburg en werd bijgestaan door een plaatselijk bestuur. Daarmee konden Sjef de Leijer en Sjang Sijbers leven en zij keerden terug bij de club. Er ontstond op een gegeven moment een jammerlijke scheiding tussen de groep uit Nijnsel en de andere leden, door kleine ergernissen en roddels die uit liepen op ruzie .In 1957 kwam een definitief einde aan de inbreng van Nijnsel in de Staffanfare, die in Nijnsel ontstaan was. Sijbers en zoon Harrie gingen de eigen club in Nijnsel nieuw leven inblazen en werken mee aan de oprichting van de “Nijnselse Ruiters”.

Oud-leden zeggen het nog steeds heel jammer te vinden dat dit alles zo afgelopen is. “In feite ging het om niks” vinden zij, Anderzijds zeggen ze allemaal dat het een geweldige tijd is geweest. Na het rumoerig jaar 1957 nam de Staffanfare de draad weer op en de optredens kregen nog steeds veel waardering, maar het werd echter aanzienlijk minder druk met de aanvragen.

 Het volgende optreden was pas weer op 2 augustus 1959. Op 23 maart 1960 kwam het bestuur weer bijeen voor nieuwe plannen. Op 11 mei volgde een ledenvergadering en de leden kregen te horen, dat ter dekking van de onkosten minsten 4 tot 5 optredens per seizoen verzorgd moesten worden. Doordat verzorgers en begeleiders ook betaald moesten worden waren de kosten voor de optreden veel te hoog geworden. Niet voor 35 muzikanten moest betaald worden maar voor 55 tot 60 personen, inclusief de begeleiders en verzorgers. De voortekenen waren gunstig voor 1961, maar ze kwamen niet uit. Er was slechts een optreden en dat was tevens ook het laatste. In mei 1962 kregen de leden van de Staffanfare de opdracht hun uniformen en instrumenten op 6 juni ’s avonds om 20.00 uur in te leveren voor een inventarisatie bij het Damiaancollege.

Eind 1962 verwachtte het bestuur betere tijden maar die kwamen er niet. Het nadelig saldo 1961/1962 was fl. 575,52. In tegenstelling tot vorig jaar, waren er nu geen inkomsten. In 1963 wilde het Bondsbestuur de Staffanfare in een andere vorm en meer afgestemd op de tegenwoordige vraag. Maar ook dat lukte niet.  In 1963 besloot het bestuur de Staffanfare in zijn toen bestaande vorm op te heffen. Op 27 december 1965 vond in Sint-Oedenrode in café De Beurs de liquidatie vergadering plaats.

Het hele verhaal kunt u lezen in het boek “Staffanfare van de NCB”

Geschreven door Jan van der Aa en Piet van Alphen en uitgegeven door de Heemkundige Kring “De Oude Vrijheid” in 2009

Auteur(s)

Uitgever

Jaar

Jan van der Aa, Piet van Alphen

Heemkundige Kring "De Oude Vrijheid"

2009

 

 

Bijna 90 jaar geleden werd in november 1938, in Nijnsel, het initiatief genomen voor een muziekkorps te paard, de Staffanfare.

Een staffanfare kan worden opgevat als een muziekkorps te paard, doorgaans bestaande uit blazers van instrumenten kopers en slagwerkers, waarbij de leden simultaan musiceren en hun paarden onder controle houden.

In de eerste wereldoorlog, Nederland was neutraal, was in Sint Oedenrode, het tweede Regiment Huzaren ingekwartierd. (Huzaren waren militairen te paard) van 1916 tot 19 19, waaronder. Sjang Sijbers en Jan Moonen, maar deze bleven na de mobilisatie in 1919 achter In Rooi en gingen er wonen. Sjang Sijbers en Jan Moonen  waren echte paarden mannen en werden actief In de paardenwereld van Nijnsel en Rooi en leerden Sjef de Leijer kennen. In 1937 /38 kwamen Sjang en Sjef op de idee om een muziekkorps op te richten, muzikanten die ook  paard konden rijden. Ze gingen aan de slag en formeerde een nieuw gezelschap, het nieuwe gezelschap bestond uit 16 leden afkomstig uit Nijnsel, ze waren ook lid van de fanfare. Van een vaste organisatie was nog geen sprake. In de winter van 1938 begonnen de eerste repetities in het Antoniushuis (D”n Bouw.) in Nijnsel. (https://x.com/i/grok?conversation=1905941307991748943)

Het paardrijden werd nagebootst op stoelen. Maar toen de tijd aanbrak om te paard te oefenen kom, begon de mobilisatie en daarna brak de 2e wereldoorlog uit Veel boeren moesten toen de paarden inleveren bij de Duitsers. Alleen de repetities  konden doorgaan, tot dat zelfs de koperinstrumenten werden gevorderd. Het koperwerk dook onder en zonder koperwerk geen fanfare. De bestuursleden van de BLRV  van de NCB hadden begin 1940 ook plannen voor een muziekkorps te paard. Ze hadden reeds van de Nijnsels activiteiten gehoord.

NCB (https://www.wikiwand.com/nl/articles/Noordbrabantse_Christelijke_Boerenbond)

 In 1941 kwam het tot de oprichting van de staf fanfare bij Sjef de Leijer thuis. De oorlog gooide roet in het eten. Direct na de oorlog in 1946 ging men verder met de Staffanfare en zoals elke ruitervereniging kwam de Staffanfare organisatorisch bij de NCB en kreeg als officiële naam  “Staffanfare van de Bond van Landelijke Rijverenigingen van de NCB gevestigd in Tilburg. De Staffanfare moest de trots worden van de NCB, elke gelegenheid werd aangegrepen om de kwaliteit en prestaties van de Staffanfare onder de aandacht te brengen.

De Staffanfare kwam organisatorisch bij de NCB en kreeg als officiële naam “Staffanfare van de Bond van Landelijke Rijverenigingen” gevestigd in Tilburg.

Het instrumentarium van het fanfarekorps werd door de NCB op peil gebracht door aankoop van nieuwe trommen en instrumenten. Ook de jaarlijkse verzekering en transportkosten werden door de NCB betaald.

De optredens werden een groot succes.

De première dat de Staffanfare zich in vol ornaat aan het publiek presenteerde was tijdens het landelijke ruiterconcours in Eerde in juni 1946. Het verslag van die dag op 28 juni van de krant was laaiend enthousiast. Met dit optreden had de staffanfare de toon gezet voor de komende jaren. Het muziekrepertoire was niet zo uitgebreid. Het was al een hele kunst muziek te maken op het paard. Dus er werden geen ingewikkelde muzieknummers ingestudeerd. In 1958 werd o.a. gespeeld, Tip-Top, Favoriete, Hollands Vreugd, Lang zal hij leven, Wilhelmus. Wanneer het Wilhelmus werd gespeeld werd kwamen de helpers de paarden vast houden.

De leden van de Staffanfare hadden nog geen eigen uniform in het begin, droegen ze het uniform van de ruitervereniging. Op 16 mei 1953 droegen ze hun nieuwe uniformen tijdens hun optreden in het stadion van Utrecht .De paarden van de Staffanfare waren hoofdzakelijk afkomstig van de Nijnselse en Rooise Ruiterclub, maar ook particuliere eigenaren stonden hun paarden af. Het waren allemaal inlandse warmbloedpaarden van Groningse- en of Gelders Type .Ze weren nauwkeurig gekozen, want als een paard door ziekte of kreupelheid zou uitvallen, was er niet zomaar een vervangend paard beschikbaar.

Voor het vervoer van de paarden had elke ruiterclub afspraken met vaste vervoerders die over veewagens beschikten. Om de vervoerskosten te drukken, reden de muzikanten met de veewagens mee, met vervoer van de paarden had meer voeten in aarde. De formaliteiten waren niet gering. Alles moest volgens wettelijke voorschriften geregeld worden.

Het ging goed met de Staffanfare, MAAR na een paar voorspoedige jaren begon de muziek wat vals te klinken, in dit uniek muziekkorps en het begon te rommelen. Er ontstonden ergernissen over de organisatie. Begin 1952 hadden de spilfiguren, Sjang en Sjef hun lidmaatschap opgezegd. Zij vonden dat de organisatie niet naar hun zin was. De directie van de NCB greep in.

Zij hadden besloten tot instelling van een plaatselijke “Raad voor de Staffanfare” Daarin moesten dan zitting hebben, dirigent Gerard van der Heijden, Sjef de Leijer, Sjang Sijbers, een bestuurslid van de Nijnselse fanfare en eventueel nog een ander persoon.

De directeur-secretaris, ir. Wellens, van de NCB kwam op 20 juni 1952 persoonlijk naar Rooi, om op de ledenvergadering van de Staffanfare zijn beslissing toe te lichten. Op die juni avond stonden alle neuzen weer dezelfde kant. Het hoofdbestuur van de Staffanfare bleef in Tilburg en werd bijgestaan door een plaatselijk bestuur. Daarmee konden Sjef de Leijer en Sjang Sijbers leven en zij keerden terug bij de club. Er ontstond op een gegeven moment een jammerlijke scheiding tussen de groep uit Nijnsel en de andere leden, door kleine ergernissen en roddels die uit liepen op ruzie .In 1957 kwam een definitief einde aan de inbreng van Nijnsel in de Staffanfare, die in Nijnsel ontstaan was. Sijbers en zoon Harrie gingen de eigen club in Nijnsel nieuw leven inblazen en werken mee aan de oprichting van de “Nijnselse Ruiters”.

Oud-leden zeggen het nog steeds heel jammer te vinden dat dit alles zo afgelopen is. “In feite ging het om niks” vinden zij, Anderzijds zeggen ze allemaal dat het een geweldige tijd is geweest. Na het rumoerig jaar 1957 nam de Staffanfare de draad weer op en de optredens kregen nog steeds veel waardering, maar het werd echter aanzienlijk minder druk met de aanvragen.

 Het volgende optreden was pas weer op 2 augustus 1959. Op 23 maart 1960 kwam het bestuur weer bijeen voor nieuwe plannen. Op 11 mei volgde een ledenvergadering en de leden kregen te horen, dat ter dekking van de onkosten minsten 4 tot 5 optredens per seizoen verzorgd moesten worden. Doordat verzorgers en begeleiders ook betaald moesten worden waren de kosten voor de optreden veel te hoog geworden. Niet voor 35 muzikanten moest betaald worden maar voor 55 tot 60 personen, inclusief de begeleiders en verzorgers. De voortekenen waren gunstig voor 1961, maar ze kwamen niet uit. Er was slechts een optreden en dat was tevens ook het laatste. In mei 1962 kregen de leden van de Staffanfare de opdracht hun uniformen en instrumenten op 6 juni ’s avonds om 20.00 uur in te leveren voor een inventarisatie bij het Damiaancollege.

Eind 1962 verwachtte het bestuur betere tijden maar die kwamen er niet. Het nadelig saldo 1961/1962 was fl. 575,52. In tegenstelling tot vorig jaar, waren er nu geen inkomsten. In 1963 wilde het Bondsbestuur de Staffanfare in een andere vorm en meer afgestemd op de tegenwoordige vraag. Maar ook dat lukte niet.  In 1963 besloot het bestuur de Staffanfare in zijn toen bestaande vorm op te heffen. Op 27 december 1965 vond in Sint-Oedenrode in café De Beurs de liquidatie vergadering plaats.

Het hele verhaal kunt u lezen in het boek “Staffanfare van de NCB”

Geschreven door Jan van der Aa en Piet van Alphen en uitgegeven door de Heemkundige Kring “De Oude Vrijheid” in 2009

Auteur(s)

Uitgever

Jaar

Jan van der Aa, Piet van Alphen

Heemkundige Kring "De Oude Vrijheid"

2009